Elf
  • Levens

  • Struisvogels
  •  - 
  • Oorlogshelden
  •  - 
  • Probleemmeisjes

  • A’s
  •  - 
  • Onscherpe foto’s
  •  - 
  • Treinliefdes
  •  - 
  • Desert Island Libraries

  • Urgente vragen
  •  - 
  • Bio’s
  •  - 
  • Slechte eigenschappen
  • - ‘Nou, dat is een mooie vraag’: over interviews (5) -

    Knetterende Letteren

    Op het moment dat ik met regie-assistente Lotte naar achteren loop in het ook als televisiestudio fungerende café Desmet komt weer een oneigenlijke uitgelatenheid over me: cocktail van doodsangst, ijdelheid en chemisch opgewekt zelfvertrouwen. En wat me echt opwindt in de grimeerruimte zijn de gloeilampjes die in de randen van de spiegel zijn gemonteerd. Geeft het een beter licht of moet het spiegelbeeld van de ster van een stralenkrans worden voorzien? Joviaal is mijn gesprek met de visagiste, die heimwee heeft naar het Sonja Barend-tijdperk (‘zulke mensen zouden er meer moeten zijn’), en die me uitlegt dat veel bekende Nederlanders met vaste visagisten werken, van wie zij, de visagiste, wier naam ik dezelfde seconde dat ik de naam hoor alweer vergeten ben (arrogantie is ook schmink), de resultaten op televisie herkent, vooral als de uitvoering te wensen overlaat.

    Het programma heet Knetterende Letteren, een radioprogramma dat een paar jaar geleden tot internettelevisie werd weggepromoveerd. De inzet is professioneel: een voorgesprek met redacteur Alle Lansu, een studio met vier vanuit de regiekamer te bedienen camera’s, een microfoon met zendertje die wordt opgespeld door een jongen in een skatebroek, en een echte openingstune. Ik ga – geschminkt – zitten op een barkruk en krijg uitgelegd (‘heeft iemand je al verteld?’) dat na de intro van presentator Kenneth van Zijl de camera even op mij gericht zal worden, om alvast het gesprek aan te kondigen. Bij die mededeling spoelt alle uitgelatenheid weg; moed zakt in de schoenen; zelfbewustzijn stijgt op.

    De eerste twintig minuten spreekt Kenneth van Zijl met Willem G. van Maanen, wiens vrouw naast me aan de bar zit. Van Maanen wordt geconfronteerd met de vraag waarom hij toch zo weinig gelezen wordt; de redactie heeft zelfs een zwart-wit filmpje opgedoken waarin de auteur, inmiddels 89, fungeert als marktkoopman die roept: ‘Opgelet mensen, niet lopen maar kopen.’ Ik begrijp dat men probeert Van Maanen aan een groter publiek te helpen, maar de vraag die hem wordt gesteld is onmogelijk te beantwoorden; dat die vraag überhaupt gesteld wordt lijkt vooral de essentie van Van Maanens ‘probleem’: succes wordt aan een kwantitatief criterium afgemeten.

    Stil krijgt de schrijver de interviewer en de aanwezigen in de studio als hij over de Tweede Wereldoorlog begint te spreken, over het verzet waar hij deel van uitmaakte – en het is vandaag 4 mei, dodenherdenking. Maar als hij afdwaalt en vertelt over de school waar hem het sterke ethische besef werd bijgebracht dat hem tot het verzet aanzette, wordt hij (terecht) afgekapt: dit is tenslotte geen gesprek.

    Volgen Kees Schuyt en Kristien Hemmerechts. Hemmerechts heb ik nog nooit ontmoet, maar ik zal haar na afloop niettemin de hand schudden waarbij ik niet zonder warmte ‘Kristien’ zeg. Zij spreken aan een soort stamtafel over het werk van J.M. Coetzee. Weer begint het gesprek met een filmpje, een oud interview met Wim Kayzer, die veronderstelt dat voor Coetzee het interview een marteling betekent. ‘Yes, it certainly is’, antwoordt Coetzee, waarop Kayzer de vraag stelt: ‘Why?’ Coetzee ontsnapt een wanhopige zucht, en na een stilte die achttien seconden (ik het ze geteld) duurt, antwoordt hij: ‘Because it is without reflection.’

    Schuyt moet het beste boek van Coetzee noemen en doet dat onder protest, omdat literatuur ‘geen voetbalcompetitie is’. Hemmerechts zal nog geen vijf minuten later stellen dat Coetzee ‘in de hoogste klasse mee wil spelen’. Het is moeilijk om in een interview consequent te zijn, omdat er, zoals Coetzee dus opmerkte, geen reflectie mogelijk is. Ja, de interviewer kan wijzen op dergelijke inconsequenties, maar op televisie is het al moeilijk genoeg om het gesprek gaande en gesmeerd te houden. Misschien is dat de reden waarom De Wereld Draait Door werkt met zogeheten ‘tafelgasten’: zij vormen de Eerste Kamer van het talkshowinterview. Zelf ben ik geen haar beter. Ik zal niet veel later verdedigen dat Elf een roman is, wat me er niet van weerhoudt te refereren aan het boek als ‘een bundel’ met ‘verhalen’.

    Schuyt heeft een snor, en pas als hij vertelt dat zijn favoriete Coetzeefragment over een hazenlip handelt, merk ik aan zijn nasale manier van praten dat hij zelf ook een hazenlip heeft. Schuyt noemt twee keer het woord ‘postmodernisme’, waarop Van Zijl verschrikt ‘Oeoeoe!’ roept. De postmoderne theorie uitgelegd door Schuyt is nochtans simpel, namelijk een gebeurtenis die in een roman vanuit meerdere perspectieven wordt verteld. Ontroerend dat de hoogleraar zijn persoonlijk engagement laat doorschemeren en tegelijk een vertrouwen in de waarde van (theoretische) concepten behoudt.

    Van kijker tot bekenene: ik word naar voren geroepen. Van Maanen, die tijdens het Coetzee-gesprek alleen op het podium moest blijven zitten, wordt weggeleid. Ik ga op zijn plaats zitten, op een verhoging, terwijl Schuyt en Hemmerechts blijven doorpraten. Ik leg mijn handen plat op tafel, schuif mijn stoel nog eens aan, wacht af. Actie. De eerste vraag is een compliment over de stijl van mijn boek; dat voelt goed – van bevestiging krijg je kennelijk nooit genoeg.

    Nu ik de beelden terugzie, merk ik dat ik een ongeloofwaardig gezicht trek, alsof de lof voor mij een volstrekte verrassing is. De still kan ingelijst worden als een puik voorbeeld van valse bescheidenheid. Gelukkig herneem ik me, en beken dat mij eens verteld is dat ik moeilijk met complimenten om kan gaan. Een cultureel probleem, weet Van Zijl, waarop ik begin te mijmeren over het calvinisme, wegzak aan de tafel, me weer opricht en een vraag stel waarvan de ervaren Alle Lansu me achteraf zal zeggen, het is dan twee uur ’s middags en we zitten aan de witte wijn, dat je zulke dingen normaliter leert op een mediatraining. Ik vraag: ‘Wat was ook al weer de vraag?’ Gelach in de zaal. Yes: ik heb succes.

    KvZ: ‘Het zijn elf portretten van elf vrienden of kennissen van de verteller, en in de epiloog omschrijf je hoe dit idee ontstaan is, namelijk, uh, de verteller die heeft na een feestelijke avond, uhm, wordt ie uh, in elkaar geslagen door een paar Marokkaanse jongens, drie meen ik, ennuh, toen kwam bij hem het besef, ja, potverdikkie, ik, ik, ik had wel doodgeslagen kunnen worden, laat ik, ik wil al die contacten die ik heb gehad, die wil ik vastleggen en beschrijven.’

    DR: ‘Ja, uhm, het is, ietwat gedetailleerder: hij krijgt dat idee al eerder, namelijk als hij met vrienden aan tafel zit en bedenkt, midden in dat, dat geanimeerde gesprek, lekker eten, van, nou, deze mensen zijn er over, uhm, hè, een veertigtal jaar, een vijftigtal jaar, zijn die er niet meer, dus het is alsof hij met een groep doodshoofden aan tafel zit, dat is eigenlijk het moment waarop hij denkt van: dit moet ik vasthouden. Dat latere moment, dat hij in elkaar wordt geslagen, hij wordt eigenlijk niet in elkaar geslagen, hij wordt alleen maar bedreigd met een beroving’

    KvZ: ‘Mmm’

    DR: ‘en het is met name de angst,uhm, die hij voelt, die, die daar gethematiseerd wordt.’

    KvZ: Ja, is dat nou, niet dat het interessant is, maar’

    DR: ‘Ja’

    KvZ: ‘uhm, ik vraag het toch [lacht], in hoeverre is jou dat overkomen?’

    DR: [lippenbijtend, schuldbewust]: ‘Uh, dat is me niet overkomen.’

    KvZ: ‘Dat is pure fantasie.’

    DR: ‘Ja dat is…’

    KvZ: ‘En ook de elf personages die je beschrijft, dat is allemaal…’

    DR: ‘Nou ik geloof helemaal niet in pure fantasie.’

    KvZ: ‘Verbeelding ook niet?’

    DR: ‘Verbeelding is een makkelijker begrip, omdat je verbeelding kunt loslaten op de werkelijkheid, of op, op, op, uhm, zaken die je vind in archieven en dergelijke…’

    KvZ: ‘Ja, ja, ja. En dat heb je, zo ben je te werk gegaan.’

    DR: ‘Ik heb, uhm, zoals denk ik elke, uhm, schrijver, uhm, delen genomen van mijn omgeving, ook van mensen, en ook nogal wat delen, van, uhm, van mezelf.’

    Televisie wordt over het algemeen beschouwd als een oppervlakkiger (sneller) medium dan de radio, maar mij beviel die snelheid wel; ik ben ermee opgegroeid, en het is, vermoed ik, makkelijker me te handhaven in zo’n hakketak-gesprek dan geacht te worden met mijn stem instant uiting te geven aan mijn ideeën in de platoonse grot genaamd radio-studio; de verlegenheid die dat oplevert is verwant aan het wanhopige zelfbewustzijn bij het inspreken van een boodschap op een antwoordapparaat.

    Klinkt niet slecht, deze verklaring, maar misschien liggen de zaken minder categorisch. Want zoveel meer tijd was er in die radio-interviews niet. Misschien liet  de interviewer me in dit geval gewoon wél de winnaar van de populariteitspoll worden. Het is makkelijker oreren als je je bewonderd weet.

    Interviews zijn oppervlakkig in de zin dat de tijd én ruimte (die van het schrift) ontbreken voor het overzicht, het achteruitzien, de voetnoot, kortom de reflectie, zoals Coetzee al zei. Maar dat wil niet zeggen dat het een domme bezigheid is. Intelligentie wordt alleen niet, als ik voor mezelf mag spreken, in de eerste plaats voor de waarheid aangewend. Ik merkte dat ik tijdens de ondervragingen mijn cognitieve krachten vooral gebruikte om in te schatten hoe dat wat ik zou gaan zeggen over kon komen. Een voortdurende berekening, waarbij altijd nog – en dat maakt het spannend – een gok kan worden gewaagd.

    Toen Kenneth van Zijl bijvoorbeeld liet vallen dat hij Tessel, de naam van een personage, mooi vond, antwoordde ik dat een goede vriendin mij die naam aanraadde, maar merkte – en dat is het begin van de mediagenieke slimmigheid – dat het antwoord weinig enerverend was, zodat ik aan het antwoord toevoegde dat die vriendin verwekt is op het eiland Texel. Ik ben een goede leugenaar, geloofde meteen in wat ik zojuist had gezegd.

    Van de ondervragingen – en het opnieuw bekijken ervan – heb ik geleerd dat communicatie nooit vanzelf spreekt, en dat ik geen genoegen moet nemen met de eigen, altijd goede intenties. Zich uitspreken brengt gelukkig ook gedachten met zich mee. Toch schrijf ik liever; ik ben dan – geloof me – een beter mens. Of in ieder geval meer mens. Een lichaam kan worden opgeroepen in zinswendingen, metaforen, leestekens. De stijl, dat is het lijf van de schrijver. Mijn lichaam in beeld daarentegen, dat blijft een inadequaat instrument.

    Na afloop van de opnames van Knetterende Letteren vroeg de vrouw van Willem van Maanen naar mijn accent, en waar dat toch vandaag mocht komen. De vraag werd me al vaker gesteld, en ik gaf een ingestudeerd, zelfrelativerend antwoord: dat men al heeft gedacht dat ik uit Duitsland kom, dat ik mijn accent op dat van wijlen Prins Bernard zou lijken. Het grapje wees ze van de hand, ze suggereerde een fundamenteler antwoord: ‘Ik hoorde iets raars in je stem, ja daar let ik altijd op, dat is nu eenmaal mijn vak.’ Ik ontweek de suggestie, maar kreeg toch – ‘ik moet het toch even zeggen’ – de expliciete vraag: ‘Heb jij een stemafwijking?’

    Coda

    Droom Nachtmerrie: ik word aangesproken door de presentator van een boekenprogramma waarvan de naam niet eens meer genoemd hoeft te worden. Mijn hart begint sneller te kloppen, eindelijk is het zover. Alleen al omdat de presentator me aangesproken heeft, willen mensen opeens mijn hand komen schudden. Ik ben een bekende schrijver geworden. De presentator stelt mij een vraag, en herhaalt die nogmaals als hij mijn verstomming merkt. Afgrijzen. Ik moet raden wie van mijn oude vrienden hij heeft uitgenodigd om mij met mijn verleden te confronteren.

    Reacties: urgentevragen[at]danielrovers.nl

    < ‘Nou, dat is een mooie vraag’: over interviews (4) <   > Motto >