Elf
  • Levens

  • Struisvogels
  •  - 
  • Oorlogshelden
  •  - 
  • Probleemmeisjes

  • A’s
  •  - 
  • Onscherpe foto’s
  •  - 
  • Treinliefdes
  •  - 
  • Desert Island Libraries

  • Urgente vragen
  •  - 
  • Bio’s
  •  - 
  • Slechte eigenschappen
  • - ‘Nou, dat is een mooie vraag’: over interviews (4) -

    Boekenkrant-tv

    Boekenkrant tv wordt geproduceerd door Uphill Battle Boekpromotie, het bedrijf dat de Boekenkrant maakt en instaat voor de grote stationbillboards waar de reiziger ‘geïnformeerd’ wordt over nieuw te verschijnen boeken. Voor dit interview was ik wat huiverig.

    De context leek me al te commercieel. Ik werd bovendien geacht een tiental gesigneerde exemplaren van Elf mee te nemen die zouden worden weggeven aan geïnteresseerde kijkers. Ik zou optreden als ordinaire handelsreiziger, met – hoe schreef de auteur van Elf dat ook alweer? – het ‘opgepoetste ego van de verkoper als belangrijkste verkoopsargument’. Bovendien zou het interview op Youtube worden geplaatst, en dus veel zichtbaarder worden dan de gespreksfragmenten die alleen een volhardende volger weet terug te vinden op de radioplayer van de kwaliteitsomroep.

    Op woensdag 17 februari reis ik met een rugzak boeken naar Utrecht af, waar ik bij een kantoorloods, verscholen tussen de meer pittoreske delen van de binnenstad, op de bel druk en mezelf nog eens bezie in het zwarte spiegelglas op de begane grond. Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig? Opengedaan wordt er door Roel Weerheijm: een lange, jonge kerel die, en dat neemt me voor hem in, niet minder schuchter lijkt dan ikzelf.

    Schuchter, ik? Terwijl ik de trap oploop, maak ik een opmerking over het ontbreken van de rode sjaal die Weerheijms handelsmerk is bij de gefilmde interviews. De toon, ik hoor mezelf praten, is oude jongens, krentenbrood. Er overvalt me een jovialiteit die alleen verklaard kan worden uit een nieuwe poging om de doodsangst die me bevangt bij het vooruitzicht van het interview te overwinnen. Of, nee, ook dit speelt mee: dat ik dit interview toch niet zo heel serieus neem, dat ik me een houding wil geven, ik met die tien boeken in mijn rugzak. Aan tafel in de provisorische studio ontpop ik me tot meedenker op het nog nauwelijks ontgonnen gebied van de boekenpromotie, lanceer het ene idee na het andere. Voor het gesprek begint, ben ik al behoorlijk opgewarmd.

    Terugkijken is pijnlijk. Televisie is de spiegel die je laat zien dat je ten onrechte dacht dat jij het bent die je lichaam – tegenwoordigheid van geest, stem, houding, gebaren – beheerst. Televisie toont je het eigen lichaam als een inadequaat instrument. Toch valt het resultaat wel mee (zeker als je de openingstune van Jacques Brel wegdenkt); in het interviewfilmpje beweeg ik mijn hoofd iets teveel als ik spreek, een beetje knikkend, als een schildpad, wat een nederige/nerderige indruk maakt.

    De eerste vraag, hoe ik Brussel heb beleefd, overvalt me, bij de tweede vraag kom ik weer met de nietszeggende opmerking dat ik in mijn eerste jaar in Brussel veelal ’s avonds in de cafés zat, op wereldschaal moeilijk schokkend te noemen. Maar ik glimlach veel, en mijn hoofd is expressiever dan mijn stem, wat het geheel toch lichtvoetiger maakt. En ik slaag erin een anekdote (‘Dat is een anekdote die ik heb onthouden’) te vertellen, wat ik me dit keer voorgenomen had.

    Het korte interview geeft me meer voldoening dan de voorgaande ondervragingen, misschien omdat ik ondertussen getraind ben geraakt, misschien omdat Elf alweer meer dan een maand oud is. Het hoeft wat mij betreft niet meer over dat boek te gaan; de baby ligt in de achterkamer eindelijk te slapen. Ongeveer halverwege het interview stelt Weerheijm zelfs een vraag waarin een zekere interpretatieve vrijheid – hij heeft het boek gelezen én erover nagedacht – besloten ligt:

    RW: ‘Belgen noemen het wel eens het Jeruzalem van Europa, twee talen, veel verschillende gebieden, conflicten, uhm, is de versnipperde opzet, uhm, van elf verschillende hoofdstukken over elf verschillende mensen misschien een weerslag daarvan?’

    DR: ‘Nou, vind ik een mooie opmerking, zou dat meteen beamen. Wat ik wel heb uhm, geprobeerd is iets van de verschillende talen die uhm in de stad inderdaad worden gesproken, niet alleen het Nederlands en het Frans, maar ook het Engels, het Marokkaans, het Luxemburgs, ’t Duits, ’t Italiaans, om dat ook in het boek, uhm, om dat ook in het boek, uhm, op te nemen. Niet dat er heel veel Italiaanse zinnen instaan, dat niet, maar, uhm, wel de snelheid, de snelheid, zal ik zeggen, van een metrorit, of de snelheid hoe je een stad beleeft, de snelheid waarin je met je auto door de tunnels van Brussel zweeft, dat, dat zit allemaal wel in het boek, het heeft dezelfde, uhm, zeg maar pace van die stad.’

    Dat is kennelijk tot truc verworden, de vragensteller complimenteren met de vraag, al  is het in dit geval gemeend. Ik voel me bij de vraag naar de vorm van het boek meer op mijn gemak dan vragen die naar mijn eigen leven peilen; mijn eerste, instinctieve reactie is er dan toch een van: dit gaat je niets aan. Vreemd dus dat ik dat leven – mijn gefictionaliseerde leven – in voorgaande interviews meteen op het boek betrok.

    Goed geluimd, met de, hoe noem je dat, adrenaline van het interview nog in mijn lichaam, vraag ik Weerheijm en cameraman Siebe Huizinga, de man die de handheld camera niet altijd even stabiel weet te houden (tevens regisseur, hoofdredacteur van de Boekenkrant en schrijver van historische fantasy kinderboeken) of ze nog een glas willen drinken. Ik hoop het gevoel van leegte, van emotioneel genomen zijn (de schrijver als praathoer), dit keer voor te zijn; Weerheijm en Huizinga nemen ondanks een deadline de tijd om mee te gaan. Een glas drinken op het middaguur, men viert zijn onproductiviteit.

    Hoewel Huizinga zijn camera in het kantoor heeft laten liggen, trekt hij in café Springhaver alsnog zijn telefoon om beelden te schieten terwijl Weerheijm vertelt over de boeken die hem het afgelopen jaar zijn bijgebleven. Hij noemt onder anderen Christiaan Weijts; Huizinga, van wie ik me begin af te vragen of hij geen Ritalin zou moeten slikken, poneert dat de boeken van Weijts binnenkort minder gelezen zullen worden dan zijn blog De Weijtse Blik.

    Huizinga is een van degenen die sterk geloven in de nieuwe, sociaal genoemde media als twitter, youtube en facebook. Ikzelf ben daar eerder sceptisch over, heb het idee dat het middel nog wel eens met het doel wordt verward. Volgens Huizinga is het heel belangrijk dat de naam van een schrijver ‘genoemd’ wordt, dat zo’n naam simpelweg aanwezig is in alle digitale ruimtes. Vraagt blijft wie die schrijver vervolgens ook nog gaat lezen.

    Huizinga vroeg Weertheijm en mijzelf hoe we literatuur nu zouden kunnen inzetten of introduceren bij een groter publiek; hoe we dit rijke genre, voor ons toch zo waardevol, zouden kunnen introduceren bij die grote groep mensen die nog wel eens een boek willen lezen. Mijn idee was dat ik dat juist met Elf al had geprobeerd, door een toegankelijk genre als de biografie te incorporeren in de roman, maar dat was niet het antwoord waarmee hij genoegen wenste te nemen.

    Wat hij wel had willen horen? Ik weet het niet. Hij leek literatuur te beschouwen als een nichemarkt die ontoegankelijk is voor de meerderheid van de lezers. Is dat dan een zaak van goede marketing?  Terwijl ik afrekende maakte Siebe de barman erop attent dat ik ‘de veelbelovende schrijver Daniël Rovers’ was, waarna barman en schrijver beiden  ietwat ongelukkig lachten. Huizinga’s commentaar: ‘Even wat mond op mond reclame, werkt altijd.’

    < ‘Nou, dat is een mooie vraag’: over interviews (3) <   > ‘Nou, dat is een mooie vraag’: over interviews (5) >