Donderdag 4 februari, de dag dat er vragen rijzen bij het inschakelen van pechstroken in het Vlaamse spitsverkeer, de kamer het grondig oneens is over de gezondheid van de Belgische begroting en een post van B-fast in Haïti wordt geplunderd nadat de Belgen het hebben verlaten. Ik meld me bij de portierloge van het VRT-gebouw aan de Reyerslaan te Brussel, een betonnen kantoorbunker uit de jaren zestig, met lange, ziekenhuisachtige gangen. In een al even ziekenhuisachtige kantoortuin wacht ik met een kartonnen bekertje thee in mijn licht trillende handen samen met boekenredacteur Leen Boereboom tot de uitzending een aanvang zal nemen.
Presentator Kurt Van Eeghem komt kort voor de opname kennismaken, en samen wachten we buiten de opnameruimte tot de weduwe van Marcel Broodthaers telefonisch een Bonne Anniversaire heeft gezongen voor haar oude vriend Panamarenko. Van Eeghem slaakt kreten van afschuw en bidt dat de oude vrouw haar mond mag houden, om even later op te merken dat het toch vervelend is dat wij [sic] die oude vrouw zo uitlachen.
We gaan tegenover elkaar zitten aan een lange tafel, hij met een koptelefoon op, ik met een grote microfoon voor mijn neus; in onze rug, achter geluidwerend glas, zit de technicus. De eerste vraag wordt gesteld: een lastige, want meteen persoonlijke vraag, en ik probeer toch te antwoorden, maar terwijl ik dat doe gaat de mobiele telefoon van de interviewer af, die zich excuseert, zijn telefoon uitzet en aan de technicus vraagt of er opnieuw kan worden opgestart bij de vraag. Ik haal opgelucht adem, want ben nu toch enigszins voorbereid.
KVE: ‘Stopover van en met Anouar Brahem; Daniël Rovers is een Nederlandse literatuurwetenschapper, een essayist, een recensent, en hij publiceerde al essaybundels, Bunzing en zo, ennuh, heeft daarna ook een doctoraal proefschrift geschreven over zes Nederlandse hedendaagse auteurs, en net verscheen bij uitgeverij Wereldbibliotheek zijn debuutroman Elf levens, elf personen die een bestaan proberen op te bouwen in Brussel, wat niet voor alle elf succesvol is uhm verlopen, welkom Daniël Rovers.’
DR: ‘Hallo.’
KVE: ‘U heeft zelf ook elf levens gehad hè, geboren in Nederland, daarna Gent, daarna werd u leraar in Antwerpen, daarna weer bij een tekstbureau in Antwerpen, daarna weer bij een tekstbureau in Gent, waarna de VUB volgde, nog enkele stappen verder leeft u op dit moment eigenlijk in Amsterdam, uhm, als zelfstandig schrijver, had u daarom daarom zin van, uhm, ik zal eens elf levens schrijven?’
DR: ‘Nou, dat is een mooie vraag. Uhm: waarom het er, uhm, elf zijn geworden weet ik eigenlijk niet, ik weet wel waarom ik ben begonnen met, uhm, het boek te schrijven, en dat was eigenlijk op het moment dat een vriend van mij in, uhm, Brussel besloot om naar Amerika te verhuizen, om naar Amerika terug te gaan omdat hij een Amerikaan was’
KVE: ‘ja’
DR: ‘en ik heb toen, uhm, eigenlijk geprobeerd om, uhm, om over hem te schrijven en tegelijkertijd ook over de tijd die we samen hebben meegemaakt, ergens vanaf 2004, 2005, en dat viel eigenlijk helemaal niet mee, om over een werkelijk levende persoon te schrijven. Ik, ik wist gewoon niet zoveel, en vervolgens kwam ik erachter dat als ik zijn leven zou gaan verzinnen, eigenlijk een leven dat parallel liep aan het zijne, dat ik dan een stuk verder kwam.’
KVE [lacht]: ‘Dat betekent dan dat u volgens mij in Elf elf levens neemt die volgens mij ook echt wel hebben bestaan. Heeft u voor elk van hen een extra leven verzonnen?’
DR: ‘Ah, dat, uhm, is een heel groot compliment, dat is juist de bedoeling geweest, uh, terwijl ik dit boek heb geschreven, dat de lezer zou denken, die mensen bestaan echt, die hebben echt geleefd. Tegelijkertijd zou je het heel biografisch kunnen opvatten, uhm, misschien zijn het gewoon elf afspiegelingen van, uhm, mijn eigen persoonlijkheid.’
Gelukkig werd ik alweer niet van dit gesprek. Toen ik van de Reyerslaan via Schaarbeek terugliep naar het centrum, bedacht ik me mistroostig dat dit de stad was die ik tot leven wilde laten komen in Elf, terwijl ik er met mijn woorden alleen maar in was geslaagd het leven uit Brussel te zuigen. Ik had niet de indruk gekregen dat de interviewer werkelijk de antwoorden wilde weten op de vragen die hij mij stelde. Hij sprak van ‘essaybundels’ – ik schreef er maar één – en zijn manier van spreken leek me erg ironisch.
Maar wat kon ik de interviewer kwalijk nemen? Deed hij ook niet gewoon zijn werk binnen het opgelegde format? Hoe anders zo’n gesprek te voeren waar niet alleen de tijdsduur beperkt is, maar ook de tijd om te antwoorden? Bij thuiskomst besloot ik Het Media Handboek lezen van de bonafide spindoctoren Dig Ishta en Charles Huijskens, in de hoop voortaan in ondervragingen sterker te staan, een boek waarvan ik alleen de boutade ‘Never mind the question, give your answer’ onthield.
Als ik vandaag het interview opnieuw beluister, wat een hele opgave is, omdat ik nu pas hoor hoe ik werkelijk geklonken heb, met dat vijf keer herhaalde ‘eigenlijk’ en die talloze ‘uhs’ en ‘uhms’, dan klink ik eigenlijk op een vervelende manier al heel mediawijs, terwijl de interviewer, juist door een zekere slordigheid of spontaneïteit, zijn variaties op de vragen die uitgeschreven voor hem lagen, mij wel enige sympathie inboezemt. Zijn stem gaat zelfs, hoor ik nu, een paar keer de hoogte in, wat op enthousiasme duidt, terwijl mijn stem een paar keer opzichtig de diepte opzoekt en vertraagt, wat een nogal kunstmatige indruk maakt.
Neem die eerste vraag – die ik helemaal niet beantwoord, omdat ik begin te vertellen waarom ik het boek geschreven heb, een antwoord dat ik al voorgekauwd had bij Wim Brands, dit alles ingezet met een leugenachtig compliment. Als de interviewer ingaat op het antwoord en vraagt naar de personen die achter de personages schuilgaan, krabbelt de auteur weer terug, beginnend met het al even pedante ‘Ah – dat is een groot compliment’.
Anderzijds zijn het ook onmogelijke vragen voor een fictieschrijver, de vragen naar de waarheid achter zijn boek. Fictie is juist gebaat bij /gebouwd op een feitelijke onzekerheid. Had ik dat niet ook kunnen benadrukken in mijn antwoord? ‘Meneer Van Eeghem, u vraagt me naar mijn leven, en dat is precies waar het boek Elf begint – hoe speek je, hoe vertel je over een leven? Ik kan dus niet rechtstreeks antwoorden op uw vraag, want daarmee doe ik het uitgangspunt van het boek onrecht. Dat boek gaat niet zozeer over belevenissen of avonturen, maar over de vraag hoe één persoon in het leven staat.’ De juiste antwoorden vielen mij als kind al veel te laat binnen; men noemt dit l’esprit de l’escalier.
Een schrijver van literair proza kan geen pasklare antwoorden geven zoals een onderzoeker of een non-fictieschrijver dat kan. Geen feiten, standpunten, meningen uit te venten; alleen maar een kern die buitenkant lijkt: de vorm van dat verhaal. Die te durven uitleggen en verdedigen tegen andere taalvormen, bijvoorbeeld die van het interview: dat is de opgave.
Goed gezegd, maar feit is toch ook dat auteur DR niet zo gek veel te vertellen heeft in die zeven minuten die hem worden gegund. Interviews zijn nog iets anders dan informatieverschaffing. Ze zijn een soort populariteitswedstrijd: een gast hoeft niet de waarheid te spreken, als hij maar interessant, onderhoudend of zelfs amusant is. Luisteraars kennen inmiddels wel de populairste jongen uit de klas, dat is vlot formulerende interviewer. Het ligt in de lijn der verwachting dat de geïnterviewde voor de duur van het gesprek aan die pikorde een einde maakt.
Eén keer slaagde ik erin het Kurt Van Eeghem lastig te maken; ik vroeg hem een voorbeeld te geven bij een naar mijn idee wel erg algemene vraag; het dwong hem tot een langgerekte ‘uhm’ waarbij de luisteraar had kunnen horen dat hij verschrikt in de redactie-aantekeningen begon te bladeren als dit stuk niet uit het interview zou zijn geknipt.
Op de terugreis naar Amsterdam word ik door de uitgever gebeld dat De Wereld Draait Door naar aanleiding van een recensie in de Volkskrant, waarin melding werd gemaakt van een filmpje op deze site, interesse heeft getoond in het boek. Een redacteur is meteen op de fiets gesprongen om het boek bij de redactie af te leveren. Opwinding: even bestaat de kans dat ik aan mag schuiven bij het meest populaire clubje op het schoolplein.