Zaterdag 30 januari 2010: de dag dat het KNMI waarschuwt voor ernstige gladheid door sneeuwval, een ontvanger van de militaire Willemsorde verdacht wordt van wapen- en drugsbezit, de schoonmakers van treinen in de Randstad het werk 24 uur stilleggen en alle mensen die vastzitten in de Peruaanse stad Machu Picchu met helikopters worden geëvacueerd.
Een stille zaterdagmorgen, veel sneeuw: een jonge redacteur van De Avonden (‘zaterdagochtendbijlage’) doet open bij studio Desmet te Amsterdam, schuin tegenover de Plantage waar het nec plus ultra van de Nederlandse media-aandacht, De Wereld Draait Door, wordt opgenomen. Ik krijg thee en een compliment voor het boek en de website, een aangename ontvangst.
Op de eerste verdieping ligt de eigenlijke radio-studio, met een achterwand opgevuld met drie driepersoonsbanken, waar Roel Bentz van den Berg, vaste medewerker van het programma, al heeft plaatsgenomen. Ik kijk door een geluidsdichte glaswand uit op de rug van een radiotechnicus en zie, weer een glaswand daarachter, het gezicht van Wim Brands, die een gesprek voert over Siciliaanse stokvis.
Wim Brands loopt de bankenruimte in, schudt mijn hand, checkt zijn mail, en nodigt me uit mee te lopen naar de opnameruimte, twee deuren verder. Hij vraagt of ik zenuwachtig ben. ‘Natuurlijk’, antwoord ik zo weinig zenuwachtig mogelijk, waarop Brands zegt dat dat totale onzin is, wat me niet echt op mijn gemak stelt, want ik ben kennelijk niet alleen zenuwachtig, ik stel me ook nog eens ontzettend aan.
Het interview begint met een vraag over Salinger, die deze sneeuwrijke week overleed; ik word gevraagd iets over Salinger te vertellen, en ik noem het verhaal The Laughing Man uit Nine stories, waarna we komen te spreken over de vraag waarom hij, Salinger dus, gestopt is met het publiceren van zijn werk, en waarom hij toch zo publiciteitsschuw was.
WB: ‘Jij bent literatuurwetenschapper, jij weet als geen ander dat onzichtbaarheid, nu, als schrijver, dat kun je gewoon helemaal vergeten. Je zult toch alle media moeten inzetten, of je dat nu leuk vindt of niet, om op het toneel te staan. Tenzij je heel erg, heel erg goed bent à la Salinger – of goed, dat is, hoe moet je dat omschrijven, maar je snapt wel wat ik bedoel – dan kun je je permitteren: nou zoek het maar uit.’
DR: ‘Ik denk dat je altijd achteraf pas kunt bekijken wat je je hebt kunnen permitteren. Misschien zijn er nog een tiental Salingers die in Oost-Drenthe leven, waarvan we niets weten omdat niemand de moeite heeft genomen om hun werk te lezen. Dat vind ik echt triomfantelijk achteraf met de geschiedenis aan je zijde, dat zeggen. Nee, ik heb het idee, maar ik weet nog niet zoveel van de, uh, boekenbranche, maar, uhm, iedereen doet toch maar wat, wat, ja, waarvan hij denkt, of zij, dat het goed is, of dat nu –’
WB: ‘Ja, ik snap wel wat je bedoelt, maar het is wel zo dat, bijvoorbeeld, we-we-we we hebben het nu over Salinger die’
DR: ‘ja’
WB: ‘overleden is, uhm, afgelopen maandag werd in Den Haag Willem Bijsterbosch begraven, een Nederlandse schrijver en dichter, en, uhm, die man heeft een paar hele mooie novelles geschreven, en zijn, uhm, gedichten zijn ook beslist de moeite waard’
DR: ‘ja’
WB: ‘maar totaal vergeten, omdat hij gewoon nergens aan meedeed en nergens kwam – dat is meer wat ik bedoel.’
DR: Ja, uhm, ik begrijp wat je bedoelt, en in zijn geval is dat dus, uh, het geval, maar, zoals ik zei, Marie Kessels, zij geeft consequent geen interviews, uh, nou, en ze heeft inmiddels toch, een, denk ik, trouwen schare, uhm’
WB: ‘ja’
DR: ‘lezers om zich heen weten te, uh, scharen. Nou, en ik neem aan dat ze er ook echt een hekel aan heeft om, uhm, te praten over haar boeken. Ze schrijft ze liever, dus nou, prima.’
WB: ‘Vind ik ook een heel mooi standpunt trouwens. We gaan er een verhaal uit Elf bijzoeken.’ [Muziek]
Eigenlijk, om eens een interviewwoord te gebruiken, heb ik voor Elf uitkwam overwogen om geen interviews te geven en gewoon het boek het boek te laten zijn. Waarschijnlijk dat ik daarom stekelig reageer op de stelling dat schrijvers vandaag toch alle media zullen moeten gebruiken om ‘op het toneel te staan’. De metafoor, die een vorm van visuele aandacht verbeeldt, had ik kunnen bekritiseren. Maar dat deed ik niet, ik gaf antwoord op de vraag en probeerde te zeggen dat alleen maar achteraf kan worden vastgesteld of schrijvers er goed aan hebben gedaan zich al dan niet in te laten met de media. En met ‘goed’ bedoelde ik goed met de betrekking tot de beschikbaarheid en bekendheid van het werk. De pragmatische kant van de zaak dus; of men het zinnig of zelfs leuk vindt om die interviews te geven, is dan nog weer een andere vraag.
Achteraf snap ik beter waarom ik me getergd voelde: de vraag maakt namelijk duidelijk dat ik al gekozen had, en dus eigenlijk niet meer in staat was de stelling te weerleggen. Ik zit daar in een radiostudio op een vroege zaterdagmorgen zenuwachtig te wezen, en stem daarmee kennelijk in met het idee dat auteurs alle media moeten gebruiken om ‘op het toneel’ te staan.
De eerst vraag waarmee Wim Brands vervolgens naar het boek zelf peilt, is afgrondelijk algemeen: ‘Het zijn verhalen die zich allemaal in Brussel afspelen. Vertel, wat heb je gedaan?’ Ik geef een voorbereid, half fictieve biografische verklaring voor de oorsprong van het boek: een verhuizing naar Brussel, het gevonden geluk daar, een vriend die naar Amerika verhuisde, een verhaal dat ik over hem wilde maken, de ontdekking dat het makkelijker was over fictieve vrienden zo’n verhaal te schrijven. Is dat, achteraf beschouwd, een goed antwoord op deze vraag?
Ik weet het niet. Misschien had ik beter kunnen vragen wat de interviewer met dat ‘gedaan’ bedoelde. Of had ik dat ‘gedaan’ kunnen aangrijpen om eerst iets over de vorm te zeggen. Nu lijk ik wel wat op een machinetje dat op de druk van een knop begint te ratelen en dat de biografische verklaring geeft waarop het geprogrammeerd is. Anderzijds: er zit veel waarheid in dit antwoord, het geeft wel degelijk aan wat er in het boek op het spel staat.
Er volgt weer een muziekje waarna Wim Brands het voorgaande nog eens kort samenvat; ik schrik van de Bouquetreeks die dat oplevert: een jongen komt met liefdesverdriet naar Brussel en wordt daar gelukkig en schrijft over die stad een boek: ‘En uiteindelijk, Daniël, is het, een eerbetoon aan Brussel, de stad waar je ooit naartoe ging, met erg veel liefdesverdriet, en, uhm, dacht: hier kan ik wonen.’ Ik antwoord ironisch dat, nu ik het zo hoor, er waarschijnlijk een tweede boek in zit, over de jongen met het liefdesverdriet. Maar ironie werkt niet op de radio: betutteling moet je er welsprekend uitrammen. Ik doe dat niet, en antwoord dan maar op de vraag.
DR: ‘Het is een beetje zoals dat personage Daan in het boek zegt: “In Brussel heb je geen t.v. nodig.” Ennuh, zelf had ik eigenlijk ook geen tv in Brussel, nu heb ik nog steeds geen tv, maar uhm, dat loste ik op door elke avond naar buiten te gaan en dan uhm, naar het café, op het [sic] café, uh, gaan zoals uhm’
WB: ‘Op het café ja’
DR: ‘in Vlaanderen heet, en dan uhm, ja, uhm, dan, uhm beleefde ik wat, ja, gewoon uhm, ja het is een hele intense stad, uhm, hevig.’
Terugluisterend vraag ik me af: maar wat beleefde ik daar dan, in die ‘intense, uhm, hevige stad’? In de radiostudio beleefde ik in ieder geval machteloosheid over mijn onvermogen tot de anekdote; waar bleven nu die avonturen die ik beleefd dacht te hebben? Tezelfdertijd herinner ik me dat ik helemaal geen zin had om nog eens over Brussel uit te weiden, wat ik immers al expliciet had gedaan in het boek en in twee essays over de stad.
Evenmin was ik happig om aan het einde van de ondervraging nog eens over De Achterhoek te vertellen, de streek waarover ik in Bunzing schreef. Het juiste antwoord valt je natuurlijk alleen maar achteraf in: ‘Ik ben verdorie geen ANWB-reisgids naar de exotische uithoeken van de lage landen Wim!’ Ik bied niet meer dan passief verzet, en vertel bij wijze van analogie over de jeugdstadsdichteres van Tilburg, een reportage die ik een dag eerder zag op het jeugdjournaal, een meisje dat gevraagd werd een gedicht te schrijven over de stad Tilburg, en zei dat ze niet goed wist wat ze moest schrijven en dus maar begonnen was met te zeggen waarom dat voor haar onmogelijk was. Ik noemde haar, de jeugdstadsdichteres, een ‘echte schrijfster’.
Na afloop van het interview ervoer ik een onbestemde, onaangename leegte. Er was amper naar het boek Elf zelf gevraagd, dat twee weken eerder was verschenen. Misschien was dat ook wel precies mijn probleem. Ik was een trotse en hormonaal ook niet helemaal stabiele vader, die zich niet tevreden stelde met een beleefd en correct gevoerd kraambezoek.
Het boek werd wel op een andere manier aanwezig gesteld, namelijk in twee fragmenten die ik onverwacht (‘lees maar een stukje voor als je wilt’) gevraagd werd voor te dragen, wat me niet zo goed afging. Ik stokte en stotterde bij zowat elk woord, maakte een ademsmakkend geluid hij elke halve zin en wist in mijn voordracht geen enkele melodie of ritme door te laten klinken, onder meer omdat ik, zoals je soms hoort als scholieren een stuk proza voorlezen, mijn stem te vaak de hoogte laat ingaan op het einde van de zin. Enfin: dit is een kwestie van oefening.