Op Wikipedia wordt er bij het lemma interview verteld dat het een ondervraging betreft; een interview is een ‘beproefde methode van kennisvergaring’. Onder het kopje ‘Methode’ staan er dan ook meteen wat slimme trucs om de geïnterviewde uit zijn evenwicht te brengen, waarbij er meteen wordt bijgezegd dat mensen die een media-training hebben ondergaan daar hoogstwaarschijnlijk niet in zullen trappen. Doorgelinkt wordt er naar een stukje van Peter Middendorp, die schrijft dat Jeroen Pauw hem ooit vlak voor een uitzending van P&W met een rotopmerking over een ex aan het wankelen bracht, waarna de interviewer prijsschieten had. De columnist bleef niets anders over dan er een stukje over te schrijven, waarmee hij niet meer dan zijn morele gelijk mocht halen.
Nu zou ik aan één stuk door willen schrijven, spontaan, steeds noteren wat in me opkomt, om zo te naderen tot het onderwerp waarover ik wil schrijven, namelijk het mondelinge interview. Maar de eerste zin is nog niet geschreven en ik weet al dat het niet gaat lukken. Zojuist drukte ik met mijn rechterpink de backspace in om het voegwoord ‘of’ te vervangen door ‘en’, en ik weet zeker dat ik nog een laatste redactiefase inlas als ik aan het einde van de dag ben uitgetypt, om bijvoorbeeld storende herhalingen te verwijderen als het herhaalde ‘weet’ in deze en de voorafgaande zin.
Een interview is geen gesprek, waarbij immers alle deelnemende personen geacht worden vragen te stellen en te beantwoorden. Als één persoon domineert en teveel vragen stelt, heet een gesprek al snel een ‘kruisverhoor’. Een interview is een kruisverhoor; men heeft in de eerste plaats met een machtsverhouding te maken. Vooraf is bepaald wie de vragen mag stellen (de interviewer) en welke onderwerpen van belang zijn (die van de interviewer). De geïnterviewde ondergaat dat strategisch gelaten; hij is het meeste aan het woord, hem wordt alle aandacht gegund, en dat streelt dan de ijdelheid.
De meest interessante interviews zijn waarschijnlijk die verhoren waarin de machtsstrijd op de spits wordt gedreven en waarin ook de interviewer gedwongen wordt zich uit te spreken; ondervragingen waarin de geïnterviewde in staat blijkt vragen te stellen over de vragen die hem gesteld worden, daarmee blootleggend tot welke bekentenis/betekenis een bepaalde vraag hem dwingt.
Aan interviews wordt iedereen onderworpen die als nieuwswaardig kan worden beschouwd. Politici, sporters, muzikanten, actievoerders, bedrijfsleiders, opiniemakers en -peilers, regisseurs, uitvinders, noem maar op, dus ook de categorie die mijn bijzondere belangstelling hier geniet, die van de literaire auteurs. Zij hebben het voordeel, zou je in eerste instantie denken, dat ze gewend zijn te werken met woorden.
Het tegendeel lijkt waar, al spreek ik in de eerste plaats voor mezelf. Schrijvers werken zo graag met woorden, dat ze er zo’n 40.000 tot 200.000 achter elkaar zetten in een min of meer zinvol verband, omdat ze alleen op die manier bepaalde ervaringen en inzichten denken te kunnen overbrengen. In een interview mag de schrijver misschien 1000 woorden kiezen, en die moet hij in een paar geïmproviseerde gutsen de ruimte in smijten. Dat is een heel verschil. En de auteur wordt geacht precies daar eloquent overheen te stappen.
Het eerste interview dat mij werd afgenomen na het verschijnen van mijn debuutroman Elf was met Marleen Louter, medewerker van Recensieweb. Tijdsdruk en bijbehorende formuleringsstress waren afwezig omdat het interview uitgeschreven zou worden. Ik constateerde tijdens het gesprek dat er geen bandrecorder meeliep, wat volgens de interviewster alleen maar van de kern af zou leiden, maar moest een week later toch opmerken dat in de uitgeschreven versie veel van de nuances verloren waren gegaan, al kan ik niet uitsluiten dat ik die nuances tijdens het interview gewoonweg niet heb uitgesproken.
De strekking van mijn woorden was juist, maar ik bleek in de woorden die voor mij waren opgeschreven pijnlijke clichés te berde te brengen. Gelukkig kon ik op grond van dit uitgeschreven interview niet alleen de feitelijke fouten eruit halen, maar ook wat aanvullingen leveren. In dat ‘kunnen’ ligt natuurlijk naast vrijheid ook macht besloten; mij werd door de debuterende interviewster speelruimte gegund.
De stad Brussel heeft als woonplaats van de elf personages wel een belangrijke rol in het boek gekregen. ‘Een ongeorganiseerde, chaotische stad, met onvoorstelbaar veel lelijke plekken, afzichtelijke architectuur, braakliggende terreinen. Maar daardoor ook bij uitstek een stad waar het leven zich op iedere straathoek toont zoals het is. In Brussel heb je geen televisie nodig.’
In de door mij gecorrigeerde versie stelde ik voor het cliché van Brussel als chaotische stad te nuanceren en het lelijke ‘tonen zoals het is’ te schrappen; ik voegde een metafoor toe, een beeld dat ik tijdens het interview zelf niet had kunnen bedenken, en bracht een uitspraak die aan mij werd toegeschreven terug tot de mening van een personage:
De stad Brussel heeft als woonplaats van de elf personages wel een belangrijke rol in het boek gekregen. ‘Een ongeorganiseerde, chaotische stad, met onvoorstelbaar veel lelijke plekken en braakliggende terreinen, panoramische parkeerplaatsen, maar ook een stad met de meest prachtige monumenten en parken, en een cultureel leven dat eerder met Berlijn dan met Amsterdam valt te vergelijken. Bij uitstek een stad waar het leven zich op iedere straathoek laat zien: hijgend als een valse hond, speels als een onbezonnen kleuter. Zoals het personage Daan in mijn boek terecht stelt: “In Brussel heb je geen televisie nodig.”’
Er volgden twee radio-interviews, eerst in Amsterdam, voor de VPRO, een week later in Brussel, voor Klara. Ik kreeg te maken met belezen interviewers die decennia ervaring hebben, namelijk Wim Brands en Kurt Van Eeghem, beiden in het bezit van een intimiderend soepele radiostem.
Reacties: urgentevragen[at]danielrovers.nl